Wat Jip me leerde
Waar gaat je boek dan over? Het is de meestgestelde vraag als ik laat vallen dat mijn kinderboek wordt uitgegeven. Een terechte en simpele vraag, maar een eenvoudig antwoord kan ik er meestal niet op geven. Meer dan ‘een hond moet veel leren en een kind ook’ krijg ik er vaak niet uit. En dat is zonde, want het boekje betekent voor mij veel meer dan dat. Het liefst zou ik schreeuwen dat het een ode is aan Jip, mijn allerbeste maatje. Dat hij me meer leert dan dat ik hem heb geleerd. Dat ik elke dag zo blij ben dat hij er is. Maar dat is niet wat ik zeg. Misschien omdat ik het kwetsbaar vind. Of omdat ik er eigenlijk moeilijk woorden aan kan geven. Toch ga ik het proberen.
Laten we bij het begin beginnen. Zo’n drieënhalf jaar geleden kwam Jip bij ons wonen. De drukste puppy van het nest, was onze wens. Want een actieve hond was wel echt een vereiste. Nou, dat hebben we geweten. Het is algemeen bekend dat de meeste puppy’s vrij intens zijn, maar Jip was next level. We hadden ons goed ingelezen en voorbereid, maar echt opvoeden leer je niet in boeken. Hij is gewoon erg dominant, vertelden we elkaar. Hij wil de baas zijn over ons. Tot we een hondencoach inschakelde en ze ons vertelde wat we eerst niet wilden geloven. ‘Hij is alles behalve dominant. Volgens mij is er alleen wat meer rust en regelmaat nodig. Maak een schema, houd je eraan en laat Jip voldoende slapen.’ Zo gezegd, zo gedaan. Ondanks dat we een tikkeltje sceptisch waren over dit matige advies. En zo leerde Jip ons een eerste les: overprikkel jezelf niet. Ze had gelijk; het ging beter. En snel ook. Jip kreeg een ritme en wij voelden ons niet meer de slechtste hondenouders ter wereld.
Vanaf dat moment besefte ik me hoeveel een pup moet leren in een jaar. Hetzelfde als een kind, maar dan in sneltreinvaart. Ontzettend veel om te verwerken in korte tijd. Het zette me aan het denken. Zou dat geen leuk idee zijn voor een kinderboek? Met als hoofdpersoon een lief hondje waar kinderen zich in kunnen herkennen. Ik werkte het concept uit, schreef gelijk twee verhaaltjes en sloot daarna tevreden mijn laptop. Om er vervolgens twee jaar lang niks meer mee te doen. Tot een jaar geleden. Er kwam meer ruimte in mijn hoofd en steeds vaker dacht ik aan Jips verhaal. Misschien moest ik het gewoon afschrijven. Vanaf toen ging het snel. Ik schreef verder aan het boek, kreeg input van basisschoolkinderen voor leerzame thema’s en stuurde het op naar uitgevers tot ik uiteindelijk – na tien afwijzingen - beet had.
Hoewel ik enorm trots ben op de verhalen in het boek, hoop ik dat vooral de onderliggende gedachte onbewust bij kinderen blijft hangen. Dat honden niet eng zijn. Dat een hond je allerbeste vriend kan worden. En dat honden je iedere dag opnieuw aan het denken kunnen zetten én je iets kunnen leren. Zo leerde Jip me na die eerste les in zijn jonge leven nog veel meer. Dat je elke dag blij moet zijn met alle dierbaren om je heen. Dat buiten zijn een primaire levensbehoefte is. Dat je blij moet worden van kleine dingen. Dat je moet knuffelen met degenen van wie je houdt. Dat je moet aangeven als je ergens mee zit of als je pijn hebt. En misschien nog wel het belangrijkste: dat je onvoorwaardelijk veel van iets of iemand kan houden. Zelfs als de start niet zo soepel verloopt.
Als iemand me opnieuw vraagt waar mijn kinderboek over gaat, kom ik waarschijnlijk nog steeds niet verder dan een paar aan elkaar geknutselde zinnen. En dat is helemaal oké, want het boek gaat ook over dat honden hetzelfde moeten leren als kinderen. Daar is niets aan gelogen. Maar iedereen die dit verhaal gelezen heeft, weet wat ik er eigenlijk mee wil zeggen. Een ode aan Jip, mijn allerbeste maatje.